Archief

Zoals te zien in het eerste deel van About Waves werd de schilderkunst in de jaren zestig en zeventig beheerst door een focus op haar eigen fundamenten. Het spreekt voor zich dat een stevige tegenreactie kon worden verwacht. Toch, zoals op een heel duidelijke en heldere manier uit de doeken gedaan door kunstcriticus Wim Van Mulders, is het onverstandig om over kunst in algemeenheden en categorieën te denken. Een gebrek aan nuance en het negeren of zelfs verzwijgen van het werk van kunstenaars die naast de mainstream werkten, werken een gekleurd, onvolledig en dus ten dele vals beeld van de geschiedenis en dus ook van de geschiedenis van de kunst in de hand.

Re-figuratie draait rond de mateloze honger van kunstenaars naar beelden en de behoefte om zich vanaf het einde van de jaren zeventig bezig te houden met het picturaal overbrengen van “verhalen”. Deze tentoonstelling is opnieuw opgevat als een suite van een aantal kamers, waarin werken met verre of “verdichte” picturale affiniteiten worden samengebracht.

In Het Kabinet komt het werk van de zogenaamde neo-expressionisten aan bod met kwalitatief werk van de oudere generatie: Georg Baselitz (1938), A.R. Penck (1939) en Markus Lüpertz (1941). Deze historische kunstenaars kijken letterlijk uit op een aantal vertegenwoordigers van de zogenaamde Heftige Schilderkunst, zoals Rainer Fetting (1949) en Elvira Bach (1951), die in het begin van de jaren tachtig veel furore maakten, en de Italiaanse Transavanguardia met werk van Mimmo Paladino (1948). De Heftige Schilderkunst, een voornamelijk Duits fenomeen, en de meer ingetogen en naar de antieke roots teruggrijpende Italiaanse Transavanguardia waren de twee gangmakers van een golf van zogenaamde bevrijdende schilderkunst in Europa. Op de buitenste muren van de tentoonstelling wordt werk gepresenteerd van een aantal Belgische kunstenaars, zoals Mark Maet (1955–2000), Philippe Vandenberg (1952–2009), Willy Van Sompel (1948), Narcisse Tordoir (1954), Damien De Lepeleire (1965) en Guy Van Bossche (1952), die in het zog van de bevrijde verf schilderkunst pleegden die de hype overstijgt en de datering overleeft. In dit luik zijn twee accenten opgenomen. Een intieme ruimte is gereserveerd voor het werk van twee kunstenaars die in de jaren tachtig een heel specifieke en aparte plaats veroverden en vandaag doorgaan als regelrecht referentiële kunstenaars. Werk van de in Düsseldorf levende Thomas Schütte (1954) en van de Nederlandse kunstenaar René Daniëls (1950) worden hier bij elkaar gebracht en tonen respectieve kwaliteiten en gelaagd-insinuerende inhouden… Een tweede, bonte ruimte is bestemd voor kunstenaars die op een dwarse manier uitdrukking geven aan hun rebelse houding tegenover de marktgevoelige en zeer succesrijke vormen van Heftige Schilderkunst met een collage van Martin Kippenberger (1953–1997), een politiek ranzige print van Albert Oehlen (1954), een sculptuur en een zeer vroege en bijgevolg uitzonderlijke reeks van wijlen Franz West (1947–2012), een abstract-figuratief werk van het schildersbeest Günther Förg (1952–2013), een al even indrukwekkend doek van Michael Krebber (1954), de meest ongrijpbare kunstenaar uit Duitsland, een provocatief werkje van Werner Büttner (1954) en twee kleine, vroege werken van de in Brussel levende Oostenrijkse kunstenaar/wijnhandelaar Kurt Ryslavy (1961).

 

Raadpleeg hier de publieksbrochure.