Archief

Upside Down is een tweeluik over beeldhouwkunst vanaf de jaren zestig tot vandaag. Wat Upside Down beoogt, is een beeld te schetsen van de artistieke ontwikkelingen aan het begin van de jaren zestig, badinerend in een culturele tijdsgeest waar de verschillende disciplines op een zeer natuurlijke manier door elkaar liepen. Sculptuur is voor velen een ding dat op het einde van de 19de eeuw door de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840–1917) langzaam en letterlijk van zijn voetstuk werd getild. Door het weglaten van de sokkel werd een proces ingezet waarbij ook het beeld zich ontdeed van zogenaamde natuurgetrouwe afbeeldingen.

Het eerste deel van het project Upside Down brengt onder de titel Specific Objects werk van binnen- en buitenlandse kunstenaars bij elkaar die vanaf de jaren zestig de radicale socio-economische veranderingen aan den lijve ondervonden en daarop antwoordden met kunst die alle definities op losse schroeven zette. De jaren zestig van de vorige eeuw werden gekleurd door contestatie, seksuele revolutie, ondermijning van gezag en de fundamentele invraagstelling van het kapitalisme, militarisme en een driftig consumptiegedrag. Vooral in de Verenigde Staten was de oorlog in Vietnam een traumatiserende gebeurtenis die erg woog op het geloof in het kapitalistische systeem. De kunst was tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw perfect veilige koopwaar waarin de mens zich moeiteloos kon verliezen in de esthetische vormgeving en allerindividueelste expressie van allerindividueelste emoties. In de jaren zestig begint die schone schijn voorgoed barsten te vertonen en wordt de kunst deelachtig aan het leven en de economie en geraakt ze verwikkeld in een zoektocht naar de waarheid achter wazige en profijtgerichte belangen.

In deze tentoonstelling worden werken gepresenteerd van kunstenaars die aan de wieg stonden van de omwenteling in het begrip sculptuur, zoals Carl Andre (1935), Robert Morris (1931), Dan Flavin (1933–1996) en Donald Judd (1928–1994). Het zijn vooral Amerikaanse kunstenaars die zich dienden te bevrijden van het juk van de zeer bepalende Europese kunstgeschiedenis. Eens die ballast overboord, waren deze Amerikaanse kunstenaars in staat om zich te concentreren op de materie en op de oorsprong ervan. Ze reflecteerden over de repercussies die een manier van kunst maken met zich meebracht eens de kunstenaar besliste om niet langer eigenhandig en op een unieke manier tussen te komen in het materiaal dat veelal rechtstreeks bij een fabriek werd besteld.

Eén werk valt in de context van Upside Down heel erg op en blijft zichtbaar tijdens de twee delen: Amerikaans Imperialisme uit 1972 van de in Lovendegem werkende en levende Lili Dujourie (1941) kan, samen met het hier aanwezige geluidswerk Birdcalls van Louise Lawler (1947), worden beschouwd als een prachtig contrapunt voor de toen overwegend mannelijke vertegenwoordiging in de kunstwereld. Het is kunst die “torst” met de elementaire feiten zoals zwaartekracht en zich door haar niet-verhalende karakter inschaalt in de bredere context van de “culturele en bijgevolg politieke ruimte”.

In overleg met adviserend choreograaf Vincent Dunoyer worden in een aparte ruimte fascinerende video’s getoond van onder meer Yvonne Rainer (1934), Simone Forti (1935), Lucinda Childs (1940) en Trisha Brown (1936) waarin te zien is hoe de dans vanaf de jaren zestig een laboratorium wordt voor “het lichaam in beweging”. Dans sloot nauw aan bij de nieuwe ideeën die tijdens de jaren zestig broeiden in de culturele wereld, onder meer dankzij de activiteiten van de dansers verenigd in de Judson Memorial Church in New York.

 

Raadpleeg hier de publieksbrochure