Expo / Museumcultuur Archief

Met Arte Povera A-Z wordt teruggegrepen naar een fantastische episode in de kunstgeschiedenis die eind jaren zestig floreerde in Italië en die van daaruit voortraasde tot op vandaag als één deugddoende, nieuwe wind. Deze episode ving aan rond het midden van de jaren zestig – een broeierige periode waarin de kiemen zich ontpopten van wat in 1967 door de uit Genua afkomstige kunstkenner Germano Celant bestempeld zou worden als “arte povera”. Arte povera is hoogstens een verbale condensatie van een opeenhoping van attitudes en revoltes die zich reeds ruime tijd voordien manifesteerden in de ateliers in Rome en Turijn vanuit een latent verlangen om het kunstwerk te zien als levende materie en niet als een speculatief object dat circuleert in de kunstmarkt.

Arte povera is een “beweging” die tot stand kwam na een periode van intense economische groei en zich spontaan ontwikkelde in alternatieve ruimtes, clubs en galeries van gedreven individuen die de kant kozen van vrijheid en experiment. Het zou verkeerd zijn om arte povera te verengen tot iets dat zich dus louter in Italië afspeelde. De nieuwe wind was destijds overal in de wereld voelbaar en via de goede neuzen van vooral Piero Gilardi (1942) en Tommaso Trini (1937) werd die internationale tendens bijzonder goed in kaart gebracht. De radicaliteit en de spontane organisatie van de groep blijken uit de vele historische documenten die werden samengebracht afkomstig uit de archieven van bevoorrechte getuigen die het heroïsche begin meemaakten van de vernieuwing in de kunst. Deze documenten geven een summier overzicht van de (om)wentelende tijden waarin deze kunst haar oorsprong vond. Onder hen was bijvoorbeeld Fabio Sargentini, de bezieler van de legendarische Galleria L’Attico in Rome, die een belangrijk platform bood aan kunstenaars zoals Pino Pascali en Jannis Kounellis. (Jannis Kounellis opende in 1969 de nieuwe ruimte in Via Beccheria met het befaamde Dodici cavalli vivi, een performance waarvoor hij de galerie inrichtte als stalling voor twaalf levende paarden.) Sargentini was trouwens ook één van de eersten die in Europa een podium gaf aan de nieuwe dans die kwam overgewaaid vanuit Amerika.

Ook Lia Rumma gaf ons toegang tot haar archief. Zij lag, samen met haar echtgenoot (wijlen) Marcello Rumma, aan de basis van Arte Povera più Azioni Povere, een driedaagse tentoonstelling samengesteld door Germano Celant die doorging in 1968 in de Arsenali della Republica in Amalfi met daarnaast tal van acties en happenings in de stad. Onder toedoen van Piero Gilardi werden toen ook voor het eerst relaties gesmeed met internationale kunstenaars, zoals Ger Van Elk, Jan Dibbets en Richard Long. Eenzelfde privé-initiatief lag aan de basis van art/tapes/22, de studio die Maria Gloria Bicocchi samen met haar echtgenoot Giancarlo in 1972 opzette in Firenze. Eén van de eerste productiecentra voor film en video in Europa die al snel gefrequenteerd werd door kunstenaars van over de hele wereld. Bijzonder is de vitrine die Steven Ten Thije van het Van Abbemuseum in Eindhoven in samenwerking met Lara Garcia Diaz inrichtte gebaseerd op zijn onderzoek voor het naslagwerk Exhibiting the New Art: ‘Op Losse Schroeven’ and ‘When Attitudes Become Form’ 1969 (Afterall, 2010).

Tijdens de voorbereidingen van het tweeluik Arte Povera A-Z, die ons nader brachten tot vele historische getuigen, viel op hoe gevoelig het (nog) ligt om de “vrije” kunst uit deze periode te (laten) claimen door één criticus met de term “arte povera”. Echter, vandaag moeten we vaststellen dat de term haar initiële inhoud ternauwernood heeft verloren en niet veel meer is dan een label – een categorie in de overvloedig wemelende kunst die bij de meeste kunstliefhebbers meteen een soort (visuele) richting/ herkenning aanduidt.

In het eerste deel van Arte Povera A-Z passeren alle bekende namen de revue. We verduidelijken dat arte povera in Italië twee polen kende: Turijn en Rome. Uit Rome worden twee kunstenaars onder de aandacht gebracht die in België (ten onrechte) ontsnapten aan alle aandacht. Wijlen Pino Pascali (1935– 1968) was een kunstenaar die oog had voor de oceaan, oorlog, militaire macht, en kleine, eenvoudige huishoudmiddelen, zoals kleurrijke borstels, kon transformeren tot “hoge” kunst. Emilio Prini (1943) is wellicht de meest radicale kunstenaar – in de ware zin van het woord – van onze tijd en was bereid om voor Strombeek een “standard” te herdenken en te positioneren in Het Kabinet. Een minimaal werk dat Strombeek (internationaal) in het oog doet springen.

Dat de kunst altijd herleeft bij het herbekijken en herbeleven op welk ogenblik of welke plaats dan ook, wordt kracht bijgezet door een echo in de expo van de jonge, Italiaanse kunstenaar Dario D’Aronco (1981).

 

Raadpleeg hier de publieksbrochure.