Het tweede deel van de tentoonstelling Een vertaling van de ene taal naar de andere bestudeert de huidige ontwikkelingen binnen onze ‘museumcultuur’ en brengt kunstenaars en architecten samen die hier een eigenzinnige visie op geven. Al enige tijd constateren we een verschuiving van objecten naar ”onstoffelijke” kunstwerken. Die tendens laat zich voelen in onze musea waar bv. performance art, dat zich altijd tussen beeldende kunst en podiumkunst heeft gesitueerd, steeds vaker een plek krijgt. Naar aanleiding van de 20ste verjaardag van het S.M.A.K. zoomt deze tentoonstelling in op de staat van het museum, met onder anderen het werk van Luc Deleu en zijn T.O.P. office.


“Ik wist al heel vroeg dat architectuur niet om bouwen gaat, maar dat het tussen je oren moet zitten”

 

De laatste steen

 In 1972 publiceert de Club van Rome The Limits of Growth. In hun rapport stellen ze dat eeuwige economische groei onmogelijk is, omdat de grondstoffen die aan de basis liggen van deze economische machine, eindig zijn. Het boek verkocht als zoete broodjes en was belangrijk voor de sensibilisering van de grote massa. Vandaag, bijna vijftig jaar later, gebruiken we echter nog steeds massaal diezelfde grondstoffen en blijft de ecologische ravage die het gevolg van is, toenemen.

 

“Ik heb in ’79 de laatste steen van België gemaakt: als uitnodiging om na te denken over de impact van architectuur”

 

In 1970 richt Luc Deleu samen met Laurette Guillemot T.O.P. office op, een bureau voor architectuur en stadsontwikkeling met een globale, ‘orbane’ visie. Net als de Club van Rome, maakt T.O.P. office zich zorgen over de destructieve impact van mens op wereld en heeft het als objectief de impact van architectuur op aarde te beperken door minder te bouwen. Een architecturaal idee moet namelijk niet noodzakelijk uitgevoerd worden. “Ik wist al heel vroeg dat architectuur niet om bouwen gaat, maar dat het tussen je oren moet zitten,” legt Luc Deleu uit. “Tussen mijn afstuderen en eind jaren ’80 heb ik alleen maar voorstellen uitgewerkt. Die zijn nooit uitgevoerd, en dat was ook niet de bedoeling. Daarom heb ik in ’79 de laatste steen van België gemaakt: als uitnodiging om na te denken over de impact van architectuur.”

 

“Er wordt al jaren veel te veel gebouwd, daarom vertrekken mijn voorstellen allemaal van bestaande gebouwen”

 

In de tentoonstelling Een vertaling van de ene taal naar de andere, toont Deleu onder andere verschillende van deze voorstellen. Het zijn allemaal voorstellen voor nieuwe musea, en het zijn ook allemaal ready mades: elk voorstel is telkens een foto van een bestaande gebouw. Doordat hij een nieuwe omschrijving aan de gebouwen geeft, verandert de context en krijgen ze dus ook een nieuwe betekenis. En zo creëert hij zonder te bouwen toch een nieuw museum. Kijk maar naar de foto van de Cockerill Yards, waar een grote propeller met een hijskraan in de hangar geloodst wordt: deze bedrijvige scheepswerf is plots een museum waarin een kunstwerk  gehesen wordt. Of het oude Turnhouts waterzuiveringsstation, dat Deleu omdoopte tot Museum van kapotte kunst. Ook voor het MUHKA werkte hij een voorstel uit, toen de huidige locatie nog een opslagplaats voor graan was. “Er wordt al jaren veel te veel gebouwd,” vertelt Deleu bij deze beelden. “Daarom vertrekken deze voorstellen allemaal van bestaande gebouwen. Er zijn zulke fantastische gebouwen, die zulke ongelooflijke mogelijkheden bieden, zoals die scheepswerven. Het leek me toen al veel beter om die gebouwen als museum te gebruiken in plaats van  ergens een nieuw museumgebouw neer te planten. Hetzelfde gevoel had ik bij het vervallen waterzuiveringsstation. Dat zou toch goed kunnen dienen als museum van kapotte kunst? En wat een opluchting zou het zijn als we een museum voor kapotte kunst zouden hebben! Al die kunst die gerestaureerd moet worden, maar waar geen tijd en geld voor is, kan daar hangen.”

 

Planetair denken

Als planetair denker, meet Luc Deleu met zijn T.O.P. office – dat voor ‘Turn On Planning’ staat –  de impact van de mens op wereldschaal: alles wat je doet heeft een impact op heel de wereld. In 1980 formuleerde T.O.P office haar visie in het Orban Planning Manifesto: een oproep om architectuur en stadsontwikkeling af te stemmen op de planetaire ontwikkelingen (bevolkingsgroei, voedseltekorten, milieuvervuiling…). Het concept ‘orbanisme’ verwijst naar een benadering die de wereld als maatstaf neemt. Want enkel door architectuur en stadsplanning af te toetsen aan haar globale impact, kan  deze planeet leefbaar blijven. Maar in die vijftig jaar dat Deleu met planetair denken bezig is, heeft hij bitter weinig verandering gezien: “Je zou denken dat er veel veranderd is, maar eigenlijk wordt er alleen maar meer brol verkocht in de winkels. De mentaliteit ten opzichte van het milieu is er amper op vooruit gegaan. Tegenwoordig wordt aangeraden om bestaande huizen af te breken en nieuwe huizen te bouwen, die veel beter isoleren. Maar dat klopt natuurlijk niet, want je wil niet weten hoeveel CO2 en grondstoffen het kost om een huis te bouwen! Baksteen bakken, cement maken, ijzer smelten… We zijn nu al zo ver geraakt in de waanzin, dat ze in Antwerpen een nieuwe fabriek gaan zetten die CO2 in de lucht zal blazen om isolatiemateriaal te maken, dat op zijn  beurt de CO2 zou moeten tegenhouden. Dat gaat ver, he!”

 

“Je zou denken dat er veel veranderd is, maar eigenlijk wordt er alleen maar meer brol verkocht in de winkels. De mentaliteit ten opzichte van het milieu is er amper op vooruit gegaan”

 

Darling Springs

Vandaag werkt Deleu met T.O.P. office aan een gigantisch project. Het maakt deel uit van het grotere Orban Space project, waarin T.O.P. office onderzoek voert aan de hand van ontwerp. Dit kan je vrij letterlijk nemen. Op zoek naar een manier om de verplaatsing van voetgangers, fietsers en auto’s op een zo natuurlijk mogelijke manier te laten verlopen, is T.O.P. office een stad aan het ontwerpen die deze natuurlijke verkeersstromen mogelijk maakt. “Al twaalf jaar lang willen we iets doen rond verkeersstromen’, legt Deleu uit. “Als voetganger, fietser en als automobilist erger ik me aan de Belgische verkeerssituaties. Ik ken bijvoorbeeld een zebrapad dat eindigt op een hondenweide! En ook één dat op twee paaltjes uitkomt. Dat is toch niet logisch? Waarom moeten parkeermeters en elektriciteitskasten trouwens telkens de halve stoep innemen? Het zou veel beter zijn dat alles meteen duidelijk is voor iedereen, in plaats van een verkeersreglement te hebben. Dat je automatisch doet wat het beste is.”

 

Tijdens het ontwerpen  bleek duidelijk dat ze eerst het landschap zelf zouden moeten bepalen. Hiervoor werd gekozen voor een onbestaand nieuw landschap, dat werd uitgewerkt tot een 3D model, met puzzelstukken die verschillende landschapstypes representeren. Momenteel zijn ze bezig om binnen dit landschap een regio uit te werken tot een stad, Darling Springs genaamd. “We hebben besloten om een nieuwe stad te tekenen, die niet volledig ontworpen is,” vullen T.O.P. office collega’s Isabelle De Smet  and Steven Van den Bergh aan. “Het is eerder een collage van bestaande stadsplannen. Je moet namelijk door de rommel heen kunnen structureren, je moet de complexiteit en storende factoren meenemen in je ontwerp.” Het lijkt een onmogelijke opdracht. Maar volgens Deleu is het net dat onmogelijke karakter dat zo’n project uitdagend maakt.